HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

Ten aanzien van de koning is het al niet eenvoudig te bepalen wat de ministeriŽle bevoegdheden zijn.
Een bepaalde handeling van de koning als onderdeel van de regering krijgt alleen haar beslag door het
ministeriŽle contraseign, de handtekening van een minister (of staatssecretaris) naast die van de koning.
Een minister kan weigeren zijn handtekening te zetten indien hij het niets eens is met wat de koning wil doen.
Ministers kunnen dreigen met aftreden als zij het handelen van de koning (ook zijn handelen als privť-persoon)
niet langer voor hun rekening wensen te nemen.
Deze dingen kunnen wellicht niet als bevoegdheid worden omschreven, maar het zijn wel middelen
waarmee ministers kunnen proberen het handelen van de koning te beÔnvloeden.

 

De theorie van de afgeleide ministeriŽle verantwoordelijkheid kan gelden zolang alles goed gaat.
Zolang ministers er in slagen leden van het koninklijk huis in het gareel te houden, is er met de theorie
niet veel mis. Maar als een lid van het koninklijk huis zich niets gelegen laat liggen aan allerlei
ministeriŽle pogingen en zou voortgaan met controversiŽle handelingen of uitlatingen, kan een minister
daar niets tegenin brengen. De theorie van de afgeleide ministeriŽle verantwoordelijkheid
zou dan niet meer dan een fictie blijken te zijn. Daarvan zouden de media, maar ook de politici,
zich meer bewust moeten zijn. Het stellen van vragen door kamerleden over gedrag van leden
van het koninklijk huis en het daarop antwoorden door ministers is in feite niet meer dan
een toneelspel dat zij met elkaar opvoeren,.
Daar is niets op tegen, maar het wordt er niet minder een toneelspel van.

J.L.W. Zuidwijk, Trouw, 24 maart 2001

____________