HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

Sinds Gruyters in 1971 zijn minderheidsnota aan het rapport van de Staatscommissie Cals/Donner toevoegde,
is het complex koning-ministers nog even ondoorzichtig als het was. Maar in de Kamer zit geen Gruyters
meer om de regering er lastige vragen over te stellen.
De tegenwoordige Kamer toont geen belangstelling voor de rol van de koningin in de 'grijze zone' tussen
het paleis en het Torentje. Daarmee is de toestand eigenlijk nog net zo ver als ze was in 1947.
In dat jaar stelde de Parlementaire Enquêtecommissie zich op het Thorbeckiaanse standpunt dat de
constitutionele verhoudingen geen ondervraging van koningin Wilhelmina over het regeringsbeleid
in de oorlogsjaren toelieten. De koningin was toen zelf bereid geweest zich aan zo'n ondervraging te onderwerpen.

Eenzelfde standpunt nam vorig jaar vrijwel de hele Kamer in, toen twee leden de regering enkele bescheiden
vragen stelden over het gerucht dat koningin Beatrix  de hand zou hebben gehad in de terugroeping van de
Nederlandse ambassadeur in Zuid-Afrika en in de opening van een ambassade in Jordanië.

En tot slot, wat de pers mag is: publiceren wat zij van het geheim te weten komt. Onafhankelijk van
het staatsbelang.

Harry van Wijnen, NRC Handelsblad, 13 februari 1997

 

____________