HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________






´
Pierre Vinken heeft in het najaar van 1996 een maaltijd belegd in de Prinsenhof in Delft.
Er was een serieuze kant aan tafel van mensen die discussieerden over de wenselijkheid van een republiek.
Je had een vrolijke kant waar gesproken werd over het opwerpen van barricades, het aanleggen van wapenvoorraden
om de republikeinse revolutie voor te bereiden. Het was een gezellige avond, er is nog een foto gemaakt, er is een lied gezongen.

Thans is het (Republikeins Genootschap) uitgegroeid tot een club van honderd leden, onder wie aantrekkelijke jonge vrouwen, en allochtonen.
Het is een gemengd gezelschap van kamerlid tot journalist dat wel degelijk de discussie over onze staatsvorm probeert aan te wakkeren.
Op zichzelf is dat gelukt. Maar het is een moeilijke discussie, er is amper een politicus die het aandurft erover te beginnen.
Die avond in de Prinsenhof was als serieuze bijeenkomst bedoeld, dat wisten alle deelnemers.
Er zaten misschien mensen bij die slechte ervaringen hadden met majesteit, dat weet ik niet, maar de opzet was serieus.
Het was geen jongensclub.

´Iedere politicus is bang dat hij door de kiezer wordt afgestraft als hij het onderwerp aankaart. Maar toch, dat brede draagvlak voor
het koningshuis is voor een belangrijk deel een fictie. Regenten hebben het nooit met de familie Oranje kunnen vinden.
Het huis van Oranje beknotte alleen maar hun macht. Er bestond tussen adel en Oranje weinig liefde.
Onze allochtone inwoners hebben als vanzelfsprekend weinig affiniteit met het koningshuis.
Een groot deel van de blanke jeugd laat het koud.
Katholieken hebben lange tijd nogal scheef tegen dat koningshuis aangekeken dat zich zo pontificaal protestants uitte.
Willem II was een echte papenhater. De sociaal-democratie heeft Oranje pas na 1945 geaccepteerd, en vaak maar half.
En tenslotte wordt het koningshuis steeds meer ingelijfd door de vermaakindustrie.

Treurig het land dat zijn eenheid moet ontlenen aan zoiets als een koningshuis.
Het wordt namelijk helemaal niet beleefd als element van nationale identiteit.

Tegen elkaar zeggen wij: wat een kinderlijk sprookje. Want wij zijn oud, wijs en cynisch.
Maar veel mensen hebben  in onze hoogmoedige visie die staat nog niet bereikt, die hebben nog een sprookje nodig.
Ik wil aannemen dat het zal gelden voor een aantal mensen. Maar laten we dan ook eerlijk zijn en erkennen dat we het niet
over de inrichting van onze democratie hebben, maar over een bijdrage aan de soapindustrie.

Maar we zouden ons gevoel van eigenwaarde ook moeten kunnen ontlenen aan andere dingen dan aan
voetbal of het koningshuis.´ (A.J. Dunning)

Jan Tromp, Volkskrant Magazine, 26 januari 2002

____________