HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

In de kersttoespraak speelt Beatrix de koningin van het Keukenhof wier enige probleem de fotografen zijn
die over de heg staan te koekeloeren. Ook in een open samenleving zijn er grenzen, en die beginnen bij Beatrix,
die als een absoluut vorst buiten en boven alles staat, terwijl ze wel overal de hand in heeft.
Zij hoeft immers nooit verantwoording af te leggen, want officieel zorgt ze alleen maar voor de thee.
Ondertussen mag er niet eens gepraat worden over inperking van haar macht, te beginnen met de burgemeesters.
We zitten, kortom, met een koningin die het tegendeel wil van wat wij willen.

Je hoeft geen historicus te zijn om te beseffen dat ons land in zijn beste tijden een republiek was.
Zinnige argumenten voor de monarchie zijn er niet.
Hoogleraar geschiedenis en Wilhelmina-biograaf C. Fasseur kwam, in het NRC Handelsblad, niet verder
dan dat je bij een erfelijk vorst niet bang hoefde te zijn dat hij zijn servet liet vallen bij een staatsdiner.
Dat wordt er van kindsbeen wel ingedrild.

Herman Stevens, Het Parool, 28 december 1999

____________