HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

De kernvraag is in wezen vanzelfsprekend een andere. Die luidt in hoeverre een volwassen democratie
zich nog verhoudt met een staatshoofd dat die functie door vererving heeft gekregen.

Binnen de huidige verhoudingen heeft de Koning eigen beleidsruimte.
Weliswaar is deze ruimte staatsrechtelijk afgedekt met artikel 42 van de Grondwet,
waarin staat dat de Koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijkzijn, maar dit neemt niet weg
dat de eigen inbreng bestaat en vervolgens tot allerlei speculaties kan leiden. Een moderne koning kent zijn plaats,
maar wat is er op tegen die plaats formeel vast te leggen?
Dat zou dan betekenen dat de Koning, zoals de Graaf heeft voorgesteld, geen deel meer uitmaakt van de regering.
Maar in zijn notitie stelt Kok dat 'binnen het constitutionele kader' de Koning vanuit
diens ongebonden en onpartijdige positie met vragen en opmerkingen een waardevolle rol kan
vervullen binnen de regering.
Alsof de regering in een open samenleving als de Nederlandse al niet voldoende vragen en opmerkingen krijgt.
Het voorzitterschap van de Raad van State is, zoals Kok erkent, een ceremoniŽle functie.
Met andere woorden: het heeft geen inhoudelijke betekenis.
De vraag is vervolgens wel waarom deze dan in stand moet worden gehouden.
Tenslotte is er nog de rol van de Koning bij kabinetsformaties, die Kok evenmin wil wijzigen.
Kok heeft gelijk als hij schrijft dat het de fracties inde Tweede Kamer zelf zijn die een eigen
verantwoordelijkheid hebben bij dit proces.
Maar ook hier geldt: waarom dat proces belasten met de 'ingewikkelde' figuur van de Koning?

Redactioneel, NRC Handelsblad, 20 september 2000

____________