HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP
____________
Welke vragen
stelde de koningin dit jaar in haar toespraak (afgedrukt in Trouw van 28
december 1998) aan de orde?
Ik moet bekennen dat ik die vraag moeilijk kan beantwoorden omdat ik
voortdurend het spoor bijster geraakt ben.
Het hoofdthema is schuld, al vanaf het motet 'All Unser Schuld' dat op de radio aan de rede voorafging.
Maar het gaat steeds om schuld over daden in het verleden, en om berouw,
vergeving, verzoening.
Welke daden, door wie begaan en wanneer? Soms lijkt verwezen te worden naar
concrete toestanden,
maar ik kan niet uitmaken welke. 'Hun leven lang
dragen (de slachtoffers) de littekens van wat hen is aangedaan.
De confrontatie met de daders haalt wonden open': algemene vaststelling of
verwijzing naar het
lot van de joden in de tweede wereldoorlog? Het laatste is niet uit de lucht
gegrepen, want bij een later
opduikende wending ('waar onderdrukking en verzet (!) het leven beheersten, zal
de tegenstander
moeten worden gezien als medemens ') maakt de woordkeuze die associatie
onvermijdelijk – en de
opmerking voor mij, zeker op dit late moment, moeilijk te begrijpen.
J.J.
Oversteegen, Trouw, 29 december 1998
____________