HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

 

Vanuit Litouwen heeft de koningin haar instemming betuigd met meer transparantie bij het vaststellen van de kosten van het koninklijk huis. Zij is altijd al voor transparantie geweest en wil ook zelf wel eens weten hoe het met de uitgaven staat. Nu is transparantie wel het laatste wat we in ons staatsbestel van het koningshuis mogen verwachten: het wezen van een constitutioneel koningshuis is immers discretie en geheimhouding. Vandaar dat bijvoorbeeld de mond van de minister van defensie Middelkoop moest worden opengebroken met de Wet Openbaarheid Bestuur in de hand, want vrijwillig ging dat niet.

Het rommelde al een tijdje wat die financiën betreft. De Rekenkamer vond de verantwoording een ondoorzichtig rommeltje, kamerleden, met de hete adem van enige media in de nek, begonnen zich te roeren, en uiteindelijk moest Balkenende eraan te pas komen, die beloofde per begroting 2010 alle uitgavenposten onder de hoede van zijn ministerie van Algemene Zaken te nemen.

Inderdaad is het niet meteen duidelijk om welke bedragen het gaat. In de media zingt een bedrag van in totaal 114 miljoen Euro voor dit begrotingsjaar rond. Inderdaad. Doet men de moeite om de begrotingsstaat van het Huis der Koningin voor het jaar 2008 erbij te pakken, dan ziet men dat er al met al via Algemene Zaken een dikke zes miljoen euro wordt toebedeeld aan de koningin en de kroonprins en zijn vrouw, dat er via andere ministeries ( Binnenlandse Zaken, Verkeer en Waterstaat, Volkshuisvesting) nog eens bijna 24 miljoen in de boeken staat, en dat er bovendien nog bij verschillende ministeries grote bedragen zijn begroot van voorzieningen en diensten voor het Koninklijk Huis, zoals het Kabinet van de Koningin, de RVD, staatsbezoeken, inzet luchtvaartuigen, en de instandhouding en onderhoud van de paleizen, samen ruim 84 miljoen. Het geheel komt dan op 114 miljoen. Of dit overeenstemt met de werkelijke uitgaven moet afgewacht worden. Op veel ministeries moet een kam door de uitgaven worden gehaald om te bezien wat werkelijk toegerekend moet worden aan de kosten voor de monarchie.

Twee vragen rijzen er, afgezien van de doorzichtigheid die uit democratisch oogpunt natuurlijk noodzakelijk is. In de eerste plaats: hoe verhouden deze kosten zich met die van andere vorstenhuizen? En in de tweede plaats: kost een President van de republiek der Nederlanden meer of minder?

Een vergelijking onder de kosten van bijvoorbeeld Europese vorstenhuizen is natuurlijk alleen goed mogelijk als men vergelijkbare posten in de beschouwing betrekt. Dat is tot op heden onvoldoende gedaan. Maar bij benadering valt er toch wel wat over te zeggen. In termen van wat koningshuizen de individuele burger grofweg per jaar de laatste tijd kosten kan men vaststellen, dat in België de burger 1,4 Euro spendeert, de Brit geeft nog geen hele Euro voor zijn vorstenhuis dat zo’n 50 miljoen euro kost, en in Nederland zit men op maar liefst zeven euro per persoon.

Er zijn, zo schijnt het, spectaculaire verschillen in de manier waarop er vorstenhuizen op na worden gehouden in West-Europa. Natuurlijk moet dit vergelijkend onderzoek worden uitgediept en verfijnd, maar op het eerste gezicht kan het in Nederland wel een tandje of wat minder.

Wat de tweede vraag betreft: het CDA-kamerlid Spies, dat alle uitgaven voor het Koningshuis goed besteed vindt, al weet ze niet precies om hoeveel het gaat, heeft net als nogal wat anderen bij herhaling de vergelijking getrokken met de kosten van een Amerikaanse president. Deze vergelijking is vals. Ook wanneer mettertijd de Nederlandse monarchie voor een republiek wordt ingeruild zal een Nederlandse president niet naar het Amerikaanse of Franse model, met hun grote uitvoerende bevoegdheden gesneden zijn. De honderden miljoenen verslindende verkiezingscampagnes die men in die landen waarneemt ( en die niet uit de staatskas maar uit de particuliere portemonnee gefinancierd worden), blijven in Nederland achterwege. We krijgen hier een hoofdzakelijk ceremoniële president, waarschijnlijk gekozen door de Staten-Generaal, met een klein kabinet, en met niet meer dan éen ambtswoning.
In Oostenrijk, zo heeft men berekend, kost de President de Oostenrijker zo’n 90 eurocent per jaar, de Tsjech betaalt een halve euro, de Duitser 0, 25 eurocent, en de Zwitser 5 hele eurocenten voor een roulerend staatshoofd. Dit zijn allemaal landen die beter in de vergelijking opgenomen kunnen worden dan de VS of Frankrijk.

Het is vermakelijk om te zien hoe twee karakteristieke trekjes van Nederlanders, O Maxima, hier met elkaar in conflict zijn geraakt: de liefde voor de Oranjes en de liefde voor de stuivers. Het gaat uiteindelijk natuurlijk niet om de doorzichtigheid van de uitgaven, maar vooral ook om de buitenissige hoogte ervan. Het is om de aandacht van die buitenissigheid af te leiden dat de koningin waarschijnlijk een tegennatuurlijke aanhankelijkheid aan de transparantie heeft beleden.



Ulli Jessurun d’Oliveira, de Volkskrant, 4 juli 2008.

____________