HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________






Met de ijzeren regel over de onschendbaarheid van de koning, vastgelegd in de grondwet, kan in principe elke vraag over de macht
van de koning kort maar krachtig worden beantwoord: de koning heeft sinds de ´liberale revolutie´ in het midden
van de negentiende eeuw geen formele macht meer.

Als er over macht van de koning wordt gesproken, gaat het dan ook altijd om informele macht.
Zou de koning werkelijk zijn zin doordrukken dan is dat geen uiting van macht van de koning, maar van slapte van de minister
die immers verantwoordelijk is .  Daartussen bevindt zich echter het ´grijze´ en vooral ook mistige gebied.
Het gaat dan om zaken waar een minister wensen van de koning voor zijn rekening neemt ´om de lieve vrede´, met het staatshoofd te bewaren.
Deel uitmakend van de regering heeft de koning binnen  de grenzen van de ministeriële verantwoordelijkheid wel drie bevoegdheden.
Het zijn de rechten die in de negentiende eeuw door de Britse staatsrechtkundige Walter Bagehot zijn geformuleerd
en die zeggen dat de koning het recht heeft om te worden geraadpleegd, aan te moedigen en te waarschuwen.


Mark Kranenburg, NRC Handelsblad, 2 februari 2002.

____________