HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________






Hofland en Keller verbazen zich er vooral over dat de pers zich zo inhield.
´Journalisten schreven niet op wat ze hoorden´, constateert Hofland.
´Alles wat staatshoofden zich aan buitenconstitutionele strapatsen veroorloofden
en wat op geheime persconferenties wel degelijk doorschemerde, werd nooit publiek gemaakt.
Terwijl er van alles aan de hand was.
De koningin mocht op alle mogelijke manieren genezing zoeken voor de oogkwaal van Marijke.
Maar de grens werd bereikt toen de schijn ontstond dat de dokter zich ook met staatszaken
ging bemoeien, zeker in een land waar een wet is tegen kwakzalverij. Dat kan niet.
En toch hield de Nederlandse pers er zijn mond over.
Waarom?
Zelfcensuur, denkt Hofland. ´De bangheid bij voorbaat. En die is onderdeel van een vicieuze cirkel.
Kennelijk ontbrak de innerlijke kracht het taboe te doorbreken. De kranten waren bang voor
nationale verontwaardiging . Niet ten onrechte.
Een hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad had een keer iets onaardigs geschreven
over een lid van het Koninklijk Huis en de abonnees liepen in cohorten weg.´
Eigenlijk waren de journalisten laf, durfden ze hun verantwoordelijkheid niet te nemen,
vinden Keller en Hofland. ´We gingen ervan uit dat we in een volwassen democratie leefden´, zegt Hofland.
´De kranten die uit het verzet kwamen, beweerden vrij en onverveerd te zijn, all the news is fit to print.
Alleen, dat gebeurde niet.´

 

Margalith Kleijwegt, Vrij Nederland, 19 december 1998.

____________