HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

 





Hoe moet ik het in de verplichte inburgeringscursus voor mensen van buiten vertellen en vooral: uitleggen? Zij moeten snappen hoe de democratie in elkaar zit en hoe dat in Nederland geregeld is met de staatsinstelling. Wie regeert Nederland? Antwoord: de regering. Hoe ziet die regering er uit? Antwoord: de regering bestaat uit de koning en de ministers. Dat staat in de Grondwet in het hoofdstuk over de regering. Dat hoofdstuk is in twee paragrafen verdeeld: het eerste gaat over de koning, en het tweede over koning en ministers. Het koningschap is erfelijk, de ministers worden benoemd bij koninklijk besluit. Aha, zo denkt de Marokkaan, dat doen we in Marokko net zo. Toch niet helemaal, moet de inburgeringscursist dan ervaren. Het koninklijk besluit is niet zoals het er op papier uitziet. De koning moet zijn handtekening wel zetten, maar eigenlijk is het parlement de baas. Het parlement zorgt er na een soms ingewikkeld samenspel en tegenspel voor dat er namen van ministers op het bureau van de koning komen, en de koning kan niet anders doen dan tekenen. Is er ooit een minister niet benoemd omdat de koning het vertikte zijn handtekening te zetten? We denken van niet, maar zeker weten doen we het niet.

Hoezo, zeker weten doen we het niet? Wordt dat dan niet bekend? Nee, dat wordt niet bekend. Hoe kan dat dan? Dat kan omdat het in de Grondwet staat. Artikel 42 lid 2 zegt: 'De koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.' De allochtoon haalt de schouders op, want hij snapt niet wat daar staat. Dat geldt ook voor de meeste autochtone Nederlanders. Meneer Balkenende mag dit eigenheimer deel van de multiculturele samenleving wel eens krachtig onderwerpen aan interne missie over de mysteries en sacramenten van onze staatsinstellingen. Hij mag uitleggen hoe de kern van de democratie erin bestaat dat het volk zijn eigen regering mag kiezen, en dat het parlement de regering ter verantwoording mag roepen en eventueel naar huis sturen, maar dat dat niet geldt voor het deel van de regering dat koning heet. Als de koning daden verricht die het parlement niet bevallen, kan het parlement hem niet om uitleg en verantwoording vragen, hem niet op het Binnenhof uitnodigen om zich te verklaren en te verantwoorden voor zijn doen en laten als lid van de regering. Hij is dus een heel eigenaardig lid van de regering: hij regeert maar is niet verantwoordelijk voor zijn regeringsdaden. Hij is dus ook niet verantwoordelijk voor zijn ondertekening van koninklijke besluiten, of van wetsvoorstellen, of wat ook maar. Hij is onschendbaar, d. w.z. dat hem niets toegerekend wordt. Om het de nieuwkomer goed duidelijk te maken: alles wat de koning doet wordt aan de minister of ministers toegerekend. De koning is onmondig en de minister is zijn katvanger. Gaat de koning in Oostenrijk skiën op een politiek ongelukkig moment, dan is de minister-president verantwoordelijk. Hij had het de majesteit moeten verbieden; stemt hij ermee in dan kan hij op zijn kop krijgen van het parlement en uiteindelijk via een motie van wantrouwen tot aftreden gebracht worden. Er zijn wel ministers om minder bedreigd met moties van wantrouwen, zoals minister Korthals onlangs heeft mogen ervaren.

Maar, zo vraagt de nieuwkomer, hoe weet het parlement dan voor welke acties van de koning de betrokken minister verantwoordelijk is? Elke maandag zien we de minister-president bij de koning op bezoek gaan om de lopende zaken te bespreken, de ministers worden twee keer per jaar opgetrommeld, de staatssecretarissen één keer, net als de Commissarissen van de Koningin, en dan wordt er vanzelfsprekend heel wat uitgewisseld. De huidige koning is uitstekend op de hoogte en heeft een soort schaduwministeries om zich heen verzameld dat haar voorziet van info over wat er in de echte ministeries omgaat. Hoe deze kennis van zaken door haar wordt ingezet in haar periodieke contacten met de rest van de regering, het kabinet geheten, blijft in het kabinet. Haar gezag (art. 35 Grondwet) blijft onzichtbaar, ongrijpbaar en onverantwoordelijk. Een enkele keer piept er wat rook uit de doofpot. ln het begin van het parlementaire stelsel had de koning uiteraard moeite met de gedachte dat zijn ministers niet aan hem, maar aan het parlement verantwoording schuldig waren, en dat dus zijn regeermacht naar god was. Toen Willem III in zijn wiek geschoten was, omdat het de Zwitsers niet zinde, dat hij zich in zijn sjamberloek op het balkon van zijn villa aan het meer van Genève voor de belangstellende opvarenden van langs tuffende boten als potloodventer opstelde, en de minister van oorlog opdracht gaf om naar Zwitserland op te rukken om zijn eer te wreken, moest hij ervaren dat deze daar niet voor voelde: de majesteit moest, net als onze inburgeraars, leren dat de Grondwet wel zei ´De Koning verklaart de oorlog', maar dat dit nog niet betekent dat de koning oorlog verklaart. Meer succes had Wilhelmina, toen zij in 1918 weigerde het besluit te tekenen waarbij generaal Snijders ontslagen moest worden. De 'defaitist' Snijders mocht niet geofferd worden aan een levensmoe kabinet van lamharken, vond zij, en de levensmoeden lieten het erbij.Zo is het nooit te voorspellen en zelden te doorzien welke partner in de regering aan het langere eind trekt in de spannende tango tussen kabinet en koning. Dat hangt ook samen met de scheiding tussen private en ambtshandelingen van de koning. Daar valt niets objectiefs over te zeggen. De feministische slogan 'het private is politiek' geldt nog sterker bij de koning, maar ook bij zijn omgeving. Politiek is alles, wat door een politieke bril bekeken wordt, zoals we al zagen bij de skivakantie van Beatrix in Haiders Oostenrijk, of bij de wetenschappelijk-historische inzichten van Willem Alexander. Troonopvolgers en andere troonpretendenten zijn ook al gevoelig materiaal, al hebben ze formeel nog geen rol in het staatsbestel.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit artikel 28 lid 2 van de Grondwet, dat troonpretendenten van de erfopvolging uitsluit als ze een huwelijk sluiten zonder toestemming bij wet van de Staten-GeneraaI. De kring van personen die onder de hoede komen van wat op den duur de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid is gaan heten, en dus mogen 'genieten' van een gedeeltelijke onschendbaarheid kan wijder en enger getrokken worden. Naar aanleiding van de onhandelbaarheid van Irene is er behoefte geraakt aan omlijning en begeleiding. Touwtrekken tussen Juliana , die het net zo wijd mogelijk wilde uitgooien over de eersterangs familieleden die samen koninklijk huis mochten heten en niet alleen maar tot de koninklijke familie behoorden -goed opletten allochtonen! - en het parlement dat tegen de zin van het ingepakte kabinet het Huis beperkt wilde houden ( een achteraf gezien pikant amendement -Brinkhorst dat van het Huis een hut maakte werd wel aangenomen, maar leidde tot intrekking van het wetsvoorstel tot beter tijden) resulteerde uiteindelijk in een vrij ruime definitie. De ministers hebben dus de supervisie over een hele volière, en dat valt in moderne tijden niet mee. Aardig is het om mee te maken, dat Willem Alexander, die eerst over de knie is gelegd van zijn verloofde -'dat was een beetje dom'-, en vervolgens door de minister-president die zich 'verrast' betoonde over zijn objectieve kennis van de openbare bronnen van de recente Argentijnse geschiedenis, op het diner dat de regering (het kabinet) aan het verloofde paar aanbood, een speech hield waarin hij Kok bedankte voor diens wijze raad en kritische begeleiding en eindigde met de geestige hoop uit te spreken dat deze speech gedekt zou worden door de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarnaast is in 1965 de Rijksvoorlichtingsdienst ingesteld, die ook wat betreft de info over het Koninklijk Huis terecht in de wandeling de Rijksverzwijgingsdienst heet. Alles wat er maar even toe doet wordt verdoezeld, weggemasseerd, geregisseerd, geretoucheerd,gecensureerd.

Hoe moeten onze inburgeraars snappen dat de regering uit ministers en koning bestaat, die wetgeving initiëren, en dat de Koning voorzitter is van de Raad van State die de regering adviseert over wetgeving en de daden van de regering, de uitvoerende macht beoordeelt? Was er in Nederland geen machtenscheiding? Hoe moeten we uitleggen dat het voorzitterschap van de Koning van de Raad van State ceremonieel is, maar dat dit absoluut niet het geval is met het deelgenootschap aan de regering? Het blijven vierkante cirkels, alleen uit de geschiedenis verklaarbare merkwaardigheden die ook voor Nederlandse inboorlingen raadselachtig blijven. Verklaarbaar misschien, maar daarom nog niet aanvaardbaar. Er moet nodig een aanvang gemaakt worden met de invoering van de republiek. Als er nu eens begonnen zou worden met het ecarteren van de Koning uit de staatsinstellingen die er toe doen, zoals de regering en de Raad van State. Een ceremonieel koningschap is al erg genoeg. Praktisch zou het al helpen als de ministers, de minister-president voorop, zich maar zelden naar het paleis zouden begeven, en dat alleen nog om sociale redenen. Een grondwetswijziging die de Oranjes uit het gouden kooitje van hun onschendbaarheid zou verlossen, en hun in staat zou stellen hun grondrechten in volle omvang uit te oefenen -vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging en vergadering, vrijheid om een echt beroep te kiezen - zou al flinke winst betekenen. De democratie zou gediend zijn, evenals de emancipatie van de Oranjes. Wie kan daartegen zijn?

Ulli Jessurun d´Oliveira, Nederlands Juristenblad, 1 februari 2002



____________