HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

De eerste Christelijke heerser Constantijn de Grote (keizer van 306 tot 337) pretendeerde de bijzondere
genade van God te genieten. Verzet tegen hem stond gelijk aan ongehoorzaamheid jegens de Allerhoogste.
Daarom beginnen onze Koninklijke Besluiten nog altijd met: 'Wij Beatrix, bij de gratie Gods, koningin der Nederlanden.' Sacraliteit behoort tot het wezen van het koningschap.

De laat-Romeinse keizers hadden er een handje van zichzelf ook in hun titulatuur bovenaards te maken,
door die te abstraheren en indirect te maken. De keizer kon men niet eenvoudig aanspraken als
'meneer de keizer': hij was 'Zijne Verhevenheid', 'Zijne Majesteit' of 'Zijne Hoogheid'.
De onderdanen adresseren zo iemand met 'Uwe Hoogheid' enzovoort.
Deze aansprekingen kent het Nederland van 2001 nog steeds.

De aanhef van een Koninklijk Besluit bevat de merkwaardige meervoudsvorm die wij kennen als de pluralis majestatis.
Dit majesteitsmeervoud berust op een misverstand.
De juristen die hun vorsten in de vijftiende en zestiende eeuw terzijde stonden, waren geschoold in het Romeinse recht.
Graag ontleenden zij aan de Romeinse rechtsteksten argumenten ter versterking van de positie van hun meesters.
Nu beginnen veel keizerlijke edicten met 'wij' . De simpele verklaring is dat in het laat-Romeinse rijk
het keizerschap vaak werd gedeeld

Anton van Hooff, Historisch Nieuwsblad, september 2001.

____________