HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP
____________
Zo luidt de eerste zinsnede van artikel 1 van de Grondwet.
Mijn
verloofde, uit Letland, is als ex-Sovjetburger allergisch voor alle
hoogdravende taal.
Haar skepcis wordt nu bevestigd door de vergelijking van haar ervaringen met
die van een andere
buitenlandse verloofde. Om in aanmerking te komen voor een 'verblijfsvergunning
in verband met een
voorgenomen huwelijk' moet mijn verloofde zich vier maanden verre houden van
Nederland.
In Riga moet zij een gang langs allerlei instanties maken om aan de nodige
papieren te komen.
Stukken, die bevestigen dat zij geboren is en niet gehuwd, moeten worden
gelegaliseerd en
door een beëdigde vertaler in het Nederlands worden omgezet.
Op het moment dat ze alles bij elkaar had, kon ze opnieuw beginnen, doordat de
geldigheidsduur van een bepaald document inmiddels was verstreken.
Bij
mijn weten heeft mevrouw Máxima Zorreguieta zich niet hoeven te onderwerpen aan
de
bureaucratische hordeloop in Buenos Aires. Ze heeft zich ook niet vier maanden
buiten Nederland
opgehouden. En het Nederlanderschap wordt haar nota bene vóór haar huwelijk in
de schoot geworpen.
Geen bepaling van de Nederlandse grondwet rechtvaardigt deze schending van het
beginsel
van gelijkberechtiging. Artikel 28, dat handelt over de parlementaire
goedkeuring van een vorstelijk huwelijk,
is immers ondergeschikt aan artikel 1.
Er wordt daarin ook niet de eis gesteld dat de partner van
een toekomstig staatshoofd de Nederlandse nationaliteit moet bezitten.
Juist
van het toekomstige staatshoofd mag worden verwacht dat hij zich meer dan
scrupuleus aan het handvest
van Nederland houdt. Bij zijn verloving en huwelijk wordt de grondwet op een
onthutsende manier genegeerd.
Aldus wordt opnieuw bewezen dat zelfs in zijn gecastreerde, constitutionele
vorm de monarchie
haaks staat op het gelijkheidsbeginsel dat in de Nederlandse grondwet zo prominent
is vastgelegd.
Anton
van Hooff, de Volkskrant, 2 juni 2001
________