HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

Ten tweede is er de algemene, van polderjongen tot intellectueel gevoelde behoefte aan verering
en bewondering voor boven ons gestelden, periodiek bijgevoed door de beate lofprijzingen die
minister-presidenten van alle gezindten via de media ten gehore plegen te brengen.
Mij treft dat stroopsmeren vooral als kruiperig. In deze variant van het aloude byzantinisme werd
Juliana steevast afgeschilderd als een zegen om haar warme meevoelende menselijkheid.
Pas toen Haar Dochter aantrad bleek uit de gewijzigde toonzetting dat er nu eindelijk op professioneel
niveau vorstelijkheid werd uitgeoefend. Achteraf begrijpen wij Nederlanders dus dat Juliana
blijkbaar minder verantwoord regeerde. En waarschijnlijk zullen we na de komende
troonswisseling pas vernemen dat Beatrix toch wel zakelijk en majesteitelijk placht op te treden
en dat we dan weer zo blij moeten zijn met de ontspannen,
sportieve en o zo innemende bedrijfsvoering door koning Willem IV.
Ik begrijp niet hoe iemand zo'n zalvende onoprechtheid, uitgesproken namens
het Nederlandse volk, in gemoede kan verdragen.

 

Zelf zou ik overigens, zolang de republiek er nog niet is, verre de voorkeur geven aan
een niet-professionele vervulling van de koningsrol, of aan een gezellige playboy
die zich nergens mee zou bemoeien.
Helemaal krankzinnig komt mij de opvatting voor van de Groningse hoogleraar Ankersmit
die onlangs in de krant liet weten dat de koningin tot heil van het Nederlandse volk juist
veel méér te zeggen moest krijgen, omdat zij zo hoog boven de partijpolitieke verschillen verheven zou zijn.
Maar we hébben die partijpolitieke verschillen volgens mij juist om ze niet te verdoezelen en
glad te strijken, maar om de wil van het volk – gefilterd en getrapt – zo goed mogelijk
via parlementaire wetgeving tot uitdrukking te laten komen.

 

Hans van den Bergh, in Rooduijn, 21-23.

 

____________