HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP
____________
de discussie die Ben Knapen over het Genootschap heeft aangezwengeld.
Kort na de oprichtingsvergadering ben ik benaderd door Martin van Amerongen, die mij vroeg of ik
benaderd kon worden voor het lidmaatschap. Inmiddels
was de oprichtingsvergadering 'uitgelekt'
en o.a. deze krant meldde
dat het Genootschap niet openstond voor allochtonen en vrouwen.
Hieromtrent nieuwsgierig geworden stemde ik in met een oriënterend gesprek.
Dat gesprek vond plaats in een chique restaurant, dat wel, en daaraan namen
vanwege het Genootschap deel
Pierre Vinken, prof. Hans van den Bergh
en de heer L. van Vollenhoven. Ik kreeg een
uitvoerige toelichting omtrent
ontstaan , doelstelling en werkwijze van het Genootschap.
Ik vernam dat men alleen op uitnodiging kon toetreden tot het Genootschap; dat
het bij het
Genootschap niet ging om het aantal als wel om de kwaliteit van de leden en dat
als men eenmaal
is toegetreden men lid blijft van het
genootschap.
Uiteraard is ook gesproken over de leden die na alle rumoer over de
oprichtingsvergadering
zich inmiddels onder opgave van de meest wonderlijke
redenen van het Genootschap hadden gedistantieerd,
waaronder dus Ben Knapen. Voor dezen had men geen goed woord over:
zij wisten wel degelijk waarover het ging en dat het om een serieuze zaak ging.
Ik heb na het gesprek de uitnodiging om tot het Genootschap toe te treden
aanvaard.
Op grond van mijn ervaring kan ik niet anders zeggen dan dat ik het verhaal van
Ben Knapen erg verwonderlijk vind.
André
Haakmat, NRC Handelsblad, 9 mei 2000
____________