HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

 

 

Toen de Franse overheersing in 1813 ten einde kwam, besloot een aantal Hollandse oud-regenten
onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp dat de Oranjes terug moesten komen om
een machtsvacuüm en opdeling van de Lage Landen te voorkomen.
Zij waren zo vrijpostig uit naam van het gehele Nederlandse volk de soevereiniteit over het land
aan Willem Frederik aan te bieden.

  

'Erfelijkheid moge een geschikt leidend beginsel zijn voor paard- en rundvleesstamboeken,
voor het bekleeden van publieke ambten kan het nu eenmaal geen leidraad geven'. (Troelstra).

 

Floris van den Bergh, in Rooduijn, 91-93, 121.

____________