HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP
____________
vermogend edelman aan het Brusselse hof talloze amourettes.
Willem zelf had een zoon uit een relatie met een
burgemeestersdochter
Maurits was vrijgezel maar had tal van kinderen
bij dochters uit het gewone volk.
koning Willem III waarbij de prinsen-gemaal genetisch
buiten beschouwing kunnen blijven.
Na de stadhouder-koning kwam de Friese tak aan het bewind en huwde, met Anna Paulowna als uitzondering,
Duitse landadel uit de talloze staatjes waarin Duitsland na de vrede van Münster was uiteengevallen.
Genetisch is de Friese Oranjedynastie van Duits bloed, al is er vermenging en
verre verwantschap
met alle Europese vorstenhuizen. Er is geen rechte afstamming door de
kinderloosheid van
stadhouder Willem III, al
is een kleindochter van Willem van Oranje gehuwd met een kleinzoon
van Willem de Oude en is hun achterkleinzoon
stadhouder Willem IV.
Het Duitse bloed heeft niet verhinderd dat het Oranjehuis zelf zich altijd, met
als grote
voorbeeld de Zwijger, met de Nederlanden verbonden heeft gevoeld
en bij het groeiend nationaal bewustzijn daardoor zijn positie heeft versterkt.
Van de genealogie naar de genetica is maar
één faux pas. De bastaardzonen en -dochters van Oranje,
soms bekend maar vaker verondersteld, komen bij vrijwel alle generaties voor en
hebben Oranjegenen,
zo die herkenbaar zouden zijn, door de Nederlanden verspreid.
Er zijn afstammelingen, als de drie Engelse dames uit de familie van Zuylenstein, die meer van Oranje
hebben geërfd dan de Friese tak. Het is genetisch niet ondenkbaar dat de
seksuele avonturen van Maurits
onder het gewone volk hem nakroost hebben bezorgd onder dochters van zeilmakers
en beurtschippers,
waardoor de heer Van Vollenhoven en mevrouw Van den
Broek genetisch evenveel vorstelijk bloed
bezitten als prinses Margriet of prins Maurits. Het erfelijk recht van vorsten is zelden rechte erfelijkheid.
In de allereerste plaats blijken ze
buitenechtelijke nakomelingen in vrijwel elke generatie te hebben,
die genetisch dichter bij Willem
van Oranje staan dan de huidige familie.
Een verzuilde en nationalistische
geschiedschrijving, in school- en leerboek, heeft een
beeld geschapen
van de onverbreekbare band tussen Oranjehuis en volk,
gesmeed in tijden van oorlog en nood.
Die band lijkt, ook achteraf, niet zo vanzelfsprekend, voor katholieken,
regenten, patriotten,
sociaal-democraten, allochtonen of republikeinen.
A.J. Dunning,
in Rooduijn, 160, 161, 164-165, 166, 167
____________