HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________

Het West-Europese maatschappelijk bestel vindt zijn geestelijke houvast sinds de Verlichting immers niet meer in de voorzienigheid of de voortplantingsleer,
en weet ook, anders dan voorheen, publiek en particulier juist principieel te scheiden.
Het eerste betekent dat iedere politieke positie niet op grond van afstamming, maar op grond van verdienste verworven dient te worden,
dus op grond van eigen talent.

Aangezien dat zelfs voor een eenvoudige dorpswethouder opgaat, is het logisch dat die verantwoordingsplicht Ė en dus verkies- en afzetbaarheid Ė zeker
bij een staatshůůfd niet zou mogen ontbreken. Dat maakt de erfelijke monarchie binnen een moderne democratie tot een relict uit
een geheel andersoortig georganiseerd verleden, zodat het tussen monarchie en democratie voortdurend wringt.

De parlementaire monarchie vormt daarmee een van de meest tweeslachtige staatkundige verschijningsvormen die in de afgelopen
eeuwen in Europa zijn bedacht. Zij spoort niet met de democratische idee dat geen enkel staatsambt erfelijk behoort te wezen,
en zij spoort niet met de monarchale idee dat de complete personele invulling van een staatsbestel een zaak is van afstammingsrecht.

De parlementaire monarchie wil het uitgangspunt dat alle mensen gelijk geboren zijn met het uitgangspunt dat toch niet Šlle mensen
gelijk geboren zijn combineren.

Zijn het niet juist, zo heet het dan, de constitutionele monarchieŽn rond de Noordzee die ook de best gewortelde democratieŽn zijn?
Dat is tot op zekere hoogte waar, maar hier worden wel oorzaak en gevolg door elkaar gehaald: deze landen zijn niet stabiel
doordat zij een monarchie zijn, maar nog een monarchie doordat zij zo stabiel zijn.

Helaas heeft de Nederlandse natie nog lang niet dat stadium van geestelijke rijpheid bereikt, en maar enkele gezagsdragers houden
in het aangezicht van vorstelijke majesteit hun knieŽn zelfbewust stijf. Integendeel, velen blijken het bestaan van kamerlid
met dat van kamerheer te verwarren. De parlementaire hovelingen buitelen zodoende links en rechts over elkaar heen.

Alleen al het feit dat zij zich weer īMajesteitī laat noemen, wijst, gezien de sacrale connotaties van deze term,
op de terugkeer van het idee van een zekere link met Hierhoogboven.

Thomas von der Dunk, Het Oranjegevoel van een onmogelijke monarchie, Amsterdam 2001

____________