HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP
____________
De kritiek lijkt zich te concentreren op de oorsprong van het koningschap, op
de verdiensten van
de Oranjes en op de Wil van het Volk.
Wat het laatste betreft: in een democratie heeft weliswaar iedereen het recht
om dom te zijn, maar
hebben de minder dommen ook het recht de domheid van
anderen te bekritiseren.
Inzake het koningschap bij de gratie Gods is de
Bijbelkennis van A.A. Spijkerboer indrukwekkend,
maar zij reikt uit de aard der zaak niet verder dan het jaar Nul, zodat
hij de twee millennia daarna
met gerust hart aan een cultuurhistoricus kan overlaten. Voor het Ancien Regime
kan ik hem de memoires
van Lodewijk XIV aanbevelen, waar het idee over
bijzondere contacten met Hooghierboven te beschikken
van elke pagina spat.
Dat Wilhelmina over de lessen, die zij in jonge jaren
aangaande de band tussen Oranje en Nederland
van de brave historicus P.J. Blok ontving, opmerkte dat zij daarin de hand Gods
miste, zegt voor het
traditionele zelfbeeld van de dynastie dan ook genoeg.
Haar psychologische belang in 1940-'45 zal ik niet ontkennen, al speelt
fabelvorming hier eveneens een belangrijke rol.
Het maakt haar echter niet tot groot voorvechtster van de democratie, en vanuit
het veilige Londen is
het makkelijker held zijn dan in bezet gebied. Ook met
een heldhaftige Wilhelmina hebben we sinds de dood
van de stadhouder-koning in 1702 toch wel erg lang op een nieuwe cruciale bijdrage
van de Oranjes aan het welzijn van Nederland moeten wachten.
Graag zou ik van briefschrijver Koning meer vernemen over de 'belangrijke rol'
van Willem IV
voor en na 1748; ook na twee maanden onderzoek ben ik nog op niets gestoten.
Thomas von der Dunk, NRC Handelsblad, 9 mei 2000
____________