HET REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

____________







De directe uitkeringen aan het koninklijk huis bedragen dus in totaal
7,9 miljoen (dit zijn welteverstaan ´geindexeerde´, waardevaste bedragen,
die jaarlijks stilzwijgend worden verhoogd).
Totaal generaal vindt men in de rijksbegroting 2002

aan duidelijk traceerbare kosten 39,3 miljoen euro.
Maar deze lasten zijn zoals gezegd nog maar een fractie van de uitgaven
die de gemeenschap voor het koningshuis over moet hebben.
Daarnaast zijn er bijvoorbeeld de overige paleizen, huizen en landerijen die onderhoud vergen.
Oorspronkelijk waren die veelal particulier bezit van de familie,
maar Juliana heeft in 1964 bij het kabinet-Marijnen geklaagd dat haar uitgaven
zo hoog waren dat zij dreigde in te teren op haar privé vermogen.
Dit heeft een hele herberekening van de salariëring ten gevolge gehad,
want het idee dat de koningin ook maar iets uit eigen beurs zou moeten betalen,
ging regering en Kamer veel te ver. Wat de huisvesting betreft is toen
overeengekomen dat de Staat de paleizen, domeinen en landerijen
van het koninklijk huis zou kopen, zodat de onderhoudskosten voortaan
voor de belastingbetaler zouden zijn. De Oranjes hebben op dat moment
bedongen
en gedaan gekregen dat zij voor eeuwig het gebruiksrecht behouden.
De afstammelingen van de koning-koopman hebben daarmee wel een bijzonder
voordelige slag geslagen:
zijn hebben hun bezittingen te gelde gemaakt zonder ze kwijt te raken,
want er is geen reëel verschil tussen eigendom en eeuwig gebruiksrecht,
behalve dat men geen kosten van beheer en onderhoud meer hoeft te betalen.
Het contract waarbij de kroondomeinen op de
Veluwe aan de Staat worden overgedragen, vermeldt expliciet dat de familie Van Oranje
de gebieden terugkrijgt als de monarchie zou worden afgeschaft of aan een ander ´huis´zou toevallen.

Het mag geen wonder heten dat een familie die al twee eeuwen geen
vermogensbelasting en successierechten betaalt en daarnaast
een fors onbelast inkomen geniet, langzamerhand over een aardig kapitaal moet beschikken,
maar over de hoogte daarvan wordt angstvallig geheimzinnig gedaan.
Niettemin is het zeer wel mogelijk met een voorzichtige schatting te komen.
Het vermogen van koning Willem I bedroeg in 1840 minstens 100 miljoen gulden.
Indien daar sindsdien geen belangrijke bestanddelen meer aan zouden zijn toegevoegd
wat wel het geval is dan kan berekend worden wat
een kapitaal van 100 miljoen gulden van 1840 na ruim anderhalve eeuw moet betekenen.
Nominaal moeten de bedragen door de geldontwaarding
minstens met een factor 20 vermenigvuldigd worden.
Voorts moet het aanvangskapitaal alleen al door de
waardevermeerdering van de goede beleggingen (Nederlandsche Handel-Maatschappij,
Koninklijke Olie, Billiton), maar ook door de dividenden en herbeleggingen enorm gegroeid zijn,
mede omdat men generaties lang nooit eigen geld hoefde uit te geven. Zo moet het aandelen- en goederenbezit omstreeks het jaar 2000 het niveau van twintig miljard euro hebben bereikt.
Het klinkt ongelooflijk, en toch is dit een voorzichtige terughoudende raming.
Ook Romein stelt aan het slot van zijn levensbeschrijving over
Willem I dat ´wat hij vergaarde zich tien-, ja honderdvoudig [heeft] vermenigvuldigd,
zoals de erfenis van een groot koopman behoort te doen´.
Zo komt ook hij tot honderd maal honderd miljoen , is tien miljard guldens van 1939
(het jaar van Romeins publicatie).
Dat betekent voor het begin van de 21ste eeuw nominaal minstens het hierboven berekende kapitaal.


Hans van den Bergh, HP/DeTijd, 19 april 2002

____________